Artikel

Coronacrisis leidt tot groener, gezonder en gezelliger bouwen

We lezen veel over de gevolgen die de coronapandemie op onze openbare ruimte heeft. Wat er nu écht verandert, dat blijft zo onduidelijk als de werking van het virus zelf. Toch kunnen we ons wel voorbereiden, vindt ook bijzonder hoogleraar Gert-Jan Hospers. Niet met toekomstvoorspellingen, maar met toekomstvoorstellingen.

“Als je nu in de binnenstad komt, hoeveel is er echt veranderd?” Met die disclaimer opent Hospers ons gesprek, dat geheel passend bij deze tijd via Teams verliep. We moeten onszelf ook niet gek laten maken, beaamt de hoogleraar. De mens is veerkrachtig, net zoals onze steden. Tijdens en na een wereldwijde crisis zijn het de details in het dagelijks leven die aan verandering onderhevig zijn.

De coronakatalysator

Volgens Hospers gaat de huidige pandemie vooral ontwikkelingen versnellen: “Net zoals 9/11 leidde tot meer oog voor veiligheid op bijvoorbeeld vliegvelden en evenementen, is corona een katalysator voor ontwikkelingen die al aan de gang zijn. De twee belangrijkste daarvan zijn een herontdekking van stadsgroen – wat we al zagen in urban farming en parken in de stad – en meer nadruk op technologie. Dan bedoel ik niet zozeer het thuiswerken, maar een grotere invloed van digitalisering in onze samenleving. Dat zie je nu ook al met smart city-ontwikkelingen.”


Dat lijkt tegenstrijdig, meer natuur én meer digitaal, maar volgens de hoogleraar zullen ze hand in hand gaan. We zien al tools verschijnen die de twee verbinden, zoals Green City Watch, en druktemeters voor steden en parken zijn ook al in ontwikkeling. Ook reist men meer gespreid in het ov en zien we een forse opkomst van de e-bike – na de auto en het internet een van de belangrijkste innovaties voor dorpen, volgens Hospers, omdat het de stad dichterbij brengt. “Dat is weer te koppelen aan transit-oriented development; daar waar haast en drukte is meer rust creëren. Dan sla je twee vliegen in één klap: een fijne plek om te reizen en minder kans op besmetting.”



Ruimte voor rust in Freiburg. Foto: Andreas Schwarzkopf Wikimedia Commons

Binnen versus buiten

Ondanks onze toegenomen drang naar buiten is er ook een trek naar binnen ontstaan: de thuiswerkplek. Hospers ziet hier wel een permanente verandering. “Thuiswerken wordt nu nog gepresenteerd als een luxe, alsof het een gunst is, maar het kan een bedrijf een flinke kostenbesparing opleveren”, aldus Hospers. “Ik heb mij laten vertellen dat een kantoorwerkplek minstens 10.000 euro per jaar per werknemer kost. Dat bespaart een bedrijf dan. Voor overleg-, advies- en schrijfberoepen maakt een reiskostenvergoeding misschien wel plaats voor een thuiswerkvergoeding.”


Dat brengt een geheel nieuwe uitdaging met zich mee, ziet Hospers: “We lezen veel over het anderhalvemeterkantoor, maar in thuiswerken valt nog een wereld te winnen. Deskundigen voorspellen meer burn-outs door minder pauzes, minder beweging en moeite om privé van werk te scheiden.” Hospers vermoedt dat er meer ruimte komt voor flexibele thuiswerkconcepten, zoals opklapbureaus en andere interieurinnovaties. En: “Misschien gaan mensen die het zich kunnen veroorloven wel groter wonen, omdat ze behoefte hebben aan een aparte werkkamer.”

Nieuwe scheidslijnen

Hospers noemde twee belangrijke ontwikkelingen die door de pandemie versneld raken – de herwaardering van stadsgroen en technologie – maar gedurende ons gesprek voegt hij er een derde aan toe: nieuwe verschillen binnen de bevolking. “Dat is heel duidelijk door de crisis naar voren gekomen”, aldus Hospers. “De samenleving wordt vaak verdeeld in klassieke scheidslijnen, zoals tussen rijk en arm en hoog- en laagopgeleid, maar er is ook onderscheid te maken tussen risicomijdend en risicominnend. De een ervaart een supermarktbezoek als een heus avontuur, terwijl de ander dat gedrag ongemakkelijk vindt en juist nonchalant is.”


En dan is er nog een nieuwe scheidslijn: tussen meerpersoonshuishoudens en alleenstaanden. “Met die laatste groep bedoel ik niet alleen eenzame ouderen, maar ook singles. Daar moet meer aandacht voor komen. Zij werken meer thuis, maar hun werkplek is ook hun
extended family, want daar vieren ze hun verjaardag en borrelen ze met collega’s.” Ook hier kan de stad een oplossing bieden, denkt Hospers. “Meer third places, oftewel plekken waar je samen alleen kan zijn. Denk aan een bibliotheek om te werken, of een Seats2meet-concept. De LocHal Tilburg is een voorbeeld van zo’n multifunctioneel gebouw. Zeker in de wintermaanden gaan dat belangrijke plekken vormen.”


De ontwikkeling van zulke plekken kan grote gevolgen hebben voor hoe we naar onze gebouwen kijken. Hospers: “In de stad hebben we meer laagdrempelige plekken nodig waar iedereen welkom is. Neem de bibliotheek waar je steeds meer studenten ziet, want zien studeren doet studeren. Dat samenzijn, op anderhalve meter of niet, daar zit wat in. Ook over gemeenschappelijke ruimtes, bijvoorbeeld in woonappartementen, zouden architecten zich kunnen buigen.”

Nudging

De voorgenoemde ontwikkelingen nemen veel tijd in beslag. Misschien zien we over enkele jaren de uitkomsten, zoals innovaties en nieuwe woon-werkconcepten. De crisis dwingt ons echter op korte termijn flexibel te zijn en daarbij kunnen slimme oplossingen ons helpen. “Veel zit in ons hoofd”, aldus Hospers. “Je gaat een trein binnen, maar het virus zie of merk je niet. Misschien pas over een paar dagen. Het waarschuwingsgevoel houd je alleen actief door er continu op gewezen te worden. In die zin werken mondkapjes wél: ze maken je bewust van de dreiging van besmetting.”


Hetzelfde geldt voor de openbare ruimte. Plantenbakken op strategische locaties leiden ons veilig door de binnenstad, net zoals pijlen en vloerstickers ons
nudgen om de gezonde keuze te maken, bijvoorbeeld om vaker de trap te pakken. “Franciscus van Assisi deed dat ook al om mensen gelovig te houden, door langs de weg overal kruizen en beelden neer te zetten. Zo werden mensen telkens aan het geloof herinnerd”, aldus Hospers. “Voor nudging in deze tijd zijn groene oplossingen ideaal: de natuur zit in ons systeem en het is ook nog eens klimaatvriendelijk.”



Nudging in Maastricht. Foto: Otter Wikimedia Commons

Meer ruimte voor rust

Hospers zei het al: wat is er nu echt anders aan de binnenstad? Hij vermoedt dat gebouwen, buurten en wijken er niet drastisch anders uit gaan zien. In plaats daarvan voorziet hij in beleidsplannen en bouwbestekken een ‘epidemieparagraaf’. “Waarin staat dat je ruimte moet opnemen voor ventilatie en groen”, aldus de hoogleraar. “Dat botst misschien met Jan Gehls uitspraak ‘If in doubt, leave some meters out’, maar het wordt zaak om groener, gezonder en gezelliger te bouwen. Waar het in de stad druk is of het druk kan worden, moet meer ruimte voor rust worden ingebouwd.”


Dat is volgens Hospers de kern van de crisis: de oplossingen moeten vooral lokaal worden gezocht. “Dat zie je in deze fase ook: als er een besmettingshaard ontstaat, worden er lokale lockdowns ingezet. Natuurlijk begon de aanpak nationaal, maar als er zich iets op een specifieke plek voordoet, kun je niet van veraf aansturen. Bij het coronavirus zijn we afhankelijk van iets globaals met lokale uitwerkingen. Het beleid kan daarvan leren.”


Het brengt Hospers op een citaat van Paolo Giordano, uit het essay
In tijden van besmetting: “Ik ben niet bang dat ik ziek word. Waarvoor dan wel? Voor alles wat de coronavirusbesmetting kan veranderen. Ik ben bang dat ik ontdek dat de beschaving die ik ken een kaartenhuis is. Dat alles wordt uitgewist. Maar ik ben ook bang voor het tegenovergestelde: dat als de angst straks weg is, alles bij het oude is gebleven.”

Over Gert-Jan Hospers

Gert-Jan Hospers is bijzonder hoogleraar Transitie in Stad en Regio aan de Radboud Universiteit. Daarnaast is hij economisch geograaf aan de Universiteit Twente en directeur van Stad en Regio, een stichting die zich inzet voor stedelijke en regionale ontwikkeling op menselijke maat.

Deel dit artikel