Blog

Vrouwen en kinderen laatst ......?

Kies een willekeurig pleintje in een stad of dorp en kijk er een paar uur rond. Overdag ziet u kinderen spelen, meisjes en vrouwen fietsen en flaneren, of zitten op een bankje. Maar zodra de avond valt, verandert het tafereel. Groepjes jongens en jonge mannen, skaters, pannavoetballers en jongeren op scooters domineren nu het straatbeeld. De openbare ruimte en haar leefbaarheid zouden nochtans gendergelijk moeten zijn. Waarom blijft dit masculiene straatbeeld dan toch zo herkenbaar?

In het tijdschrift Brusselse Studies stelt Marie Gilow dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de openbare ruimte verre van verworven is. Volgens haar gaat het mis in de relatie tussen de ruimte en de gebruiker, die teveel is afgestemd op één doelgroep. Een succesvol stedelijk ontwerp moet voldoen aan de behoeftes van de hele samenleving (Brusselse Studies 87, 1 juni 2015).

 

Waar komt die ongelijkheid dan vandaan? De publieke ruimte wordt overwegend ontworpen door mannen. Clara Greed stelde in 1998 vast dat “vrouwen een achterstandspositie [hebben] in de stad omdat mannelijke planners stedelijke oplossingen hebben bedacht vanuit hun eigen perceptie van ‘logisch’ en ‘normaal’. Gepland voor de behoeftes van ‘mensen zoals zij’. Het beleid van mannelijke beleidsmakers is nog het best te omschrijven als stedenbouwkundige pornografie; van veel en groot naar nog groter … Terwijl vrouwen intimiteit, geborgenheid en sociale veiligheid belangrijk vinden.”

 

Ook vandaag is er een onevenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke stedenbouwkundigen en architecten. Volgens het Nederlandse architectenregister is ruim driekwart van de stedenbouwkundigen en architecten man. Bij de landschapsarchitecten is dat twee derde en bij de interieurarchitecten de helft (Architectenregister, jaarverslag 2014). Deze cijfers lijken te betekenen dat in dit metier, heel traditioneel, ‘buiten’ de wereld van de man is en ‘binnen’ het domein van de vrouw. Dat is een oud zeer. Tot ver in de 20e eeuw weerspiegelde het stedelijk weefsel dezelfde gedachte met een onderscheid tussen de ‘mannelijke steden en de vrouwelijke suburbs’ (Saegert, 1980). 

 

De verschillende beleving van de publieke ruimte bij meisjes en jongens blijkt al vroeg te beginnen. Voogd en Engbersen spreken over meisjes als de ‘ottertjes’ van de samenleving: net zoals de aanwezigheid van otters wijst op een hoge waterkwaliteit, is de aanwezigheid van meisjes in het straatbeeld een indicatie van een kwalitatief goede openbare ruimte. Meisjes spelen immers pas buiten als een ruimte veilig en uitnodigend is (Voogd en Engbersen, 2005).

 

In maart van dit jaar waagde de Brusselse gemeente Sint-Agatha-Berchem zich aan een experiment. Tijdens de week van de vrouw organiseerde Stephane Tellier, schepen voor gelijke kansen, een verkenningstocht door de straten van de gemeente. De centrale vraag bij deze tocht: is de inrichting van de openbare ruimte vrouwvriendelijk?

 

De bevindingen van de vrouwen van Sint-Agatha-Berchem legden heel wat bloot. Opmerkingen gingen van oncomfortabel zitmeubilair tot de afwezigheid van vrouwelijk personeel in het straatbeeld. Er kwamen suggesties voor parken en pleinen waar de nadruk teveel lag op jongensactiviteiten; vragen om voorzieningen aan te passen aan kinderwagens en rolstoelen; ideeën voor verkeersaanpassingen en wandelroutes rond scholen.

 

De heilige Agatha heeft tijdens haar leven veel moeten lijden als vrouw en martelares. De gemeente Sint-Agatha-Berchem doet haar eer aan door zich te hoeden voor een stigmatiserend beeld van de positie van de vrouw in de openbare ruimte. En dat zouden meer gemeenten moeten doen.



Dit artikel komt uit Straatbeeld

Deel dit artikel