Artikel

Stadsilluminatie Amsterdam

Een kijkje in de keuken bij de gemeente Amsterdam. Een op het oog reguliere vervangingsoperatie geeft de stad een ander gezicht.

De gemeente Amsterdam maakte in januari bekend een half miljoen euro te gaan besteden aan stadsilluminatie: het aanlichten van bijzondere gebouwen en monumenten in de stad. In principe een reguliere vervangingsoperatie, maar wel één die de stad nieuwe kansen biedt. Want met de vervanging wordt meteen het huidige lichtontwerp onder de loep genomen en dat blijft maar heel zelden overeind.

Breder doel

“Het aanlichten van monumenten, bruggen en gebouwen doen we al heel lang”, begint Hans Akkerman, senior adviseur openbare verlichting en stadsilluminatie voor de gemeente Amsterdam. “Eigenlijk om twee redenen. Ten eerste om dingen te vieren. Vanaf ongeveer de jaren ’50 van de vorige eeuw is de stad bezig met het structureel aanlichten van gebouwen, voornamelijk voor toeristen. Inmiddels dient stadsilluminatie een breder doel, voelt men goed aan dat de stad hier baat bij heeft, zowel de toeristen als bewoners.”

 

Inmiddels worden in Amsterdam 350 objecten aangelicht, dat betekent ook 350 technische installaties, variërend in grootte. Het beeld van Anne Frank wordt aangelicht met één spotje, terwijl het Paleis op de Dam en het Centraal Station een enorme installatie hebben.  “We gaan bij deze installaties uit van een gemiddelde levensduur van 15 jaar”, geeft Akkerman aan. “Als de installaties aan vervanging toe zijn kijken we in het kader van asset management met een kritische blik naar wat we hebben. We kijken overigens niet alleen naar de lampen die aan vervanging toe zijn, maar ook naar lampen met een hoog vermogen. Als het de investering waard is vervangen we die vroegtijdig. Lampen worden bijna altijd vervangen door led.”

Kijk op licht is veranderd

Het vervangen van de armaturen is altijd aanleiding om het lichtontwerp opnieuw onder de loep te nemen. Akkerman: “Eén-op-één vervangen is niet altijd mogelijk, want led is een andere lichtbron. De praktijk leert dat we met led andere dingen kunnen doen. Bovendien is onze kijk op licht in veel gevallen veranderd. Vroeger was de opvatting dat het per definitie mooi was om ergens een hele sloot licht tegenaan te gooien. De Oude Kerk in Amsterdam is een heel goed voorbeeld van hoe het anders kan, veel mooier en genuanceerder. We hebben daar rekening gehouden met de architectuur, gezocht naar de karakteristieken van het gebouw en gekeken naar de omgeving.”

 

Het is maar heel zelden dat bij vervanging het oorspronkelijke lichtplan overeind blijft staan. “In bijna alle gevallen kan het mooier en efficiënter”, vindt Akkerman. “En hoewel ik vind ik dat we bij de gemeente een goed smaak hebben, betrekken we vaak een lichtontwerper bij de projecten. Dat zijn best ingewikkelde processen, omdat je te maken hebt met veel verschillende belanghebbenden en factoren. Veiligheid is een belangrijk onderwerp, vandaar dat we nauw samenwerken met politie en handhaving. Een aantrekkelijke omgeving draagt bij aan een goede sfeer wat helpt bij het voorkomen van geweld. Hier zijn we de laatste tijd veel mee bezig en dat werpt zijn vruchten af.”

Terughoudend met kleuren

Voor een nieuw lichtplan hanteert de gemeente een aantal randvoorwaarden waar het ontwerp aan moet voldoen. “Ten eerste moeten de karakteristieken van een gebouw goed uitkomen. Als een kerk bijvoorbeeld veel glas-in-lood heeft, is het mooi om dat van binnenuit aan te lichten. Daarnaast is lichtkleur van groot belang. We hanteren een lichttemperatuur van maximaal 3000 Kelvin, dan komen de natuurlijke kleuren van de materialen het beste uit. We zijn heel terughoudend in het gebruik van andere kleuren dan wit.” Niet alleen esthetische aspecten spelen een rol, want ook het verminderen van lichtvervuiling staat hoog op de agenda van de gemeente en natuurlijk is energiebesparing een item. In sommige gevallen kan het daarom zijn dat ’s nachts het licht uit gaat waar het niet nodig is.

Petra Hulst

Als er een nieuw lichtplan gemaakt moet worden voor een monument in de stad, doet Akkerman vaak een beroep op lichtontwerper Petra Hulst van Philips. Al tien jaar werken ze samen op het gebied van stadsilluminatie. “Inmiddels werken we zo lang samen dat we vaak precies weten wat er nodig is in Amsterdam”, vertelt Petra Hulst. “Amsterdam heeft veel monumentale gevels, maar we willen de architectuur niet te veel dramatiseren, gebouwen moeten er natuurgetrouw uit zien. Vroeger was de opvatting dat het daglicht nagebootst moest worden, maar daar werden de gebouwen wat vlak van, tweedimensionaal. Tegenwoordig kijken we eerst naar welk licht er al is. Vaak zie je dat de openbare verlichting voor strooilicht op de onderkanten van de gevels zorgt. De plinten zijn verlicht, de gevels erboven zijn donker. We proberen we die plint door te trekken naar boven.”

 

Waar vroeger van relatief grote afstand schijnwerpers op het gebouw werden gericht, wordt nu veel meer met korte uithouders gewerkt. “Zo creëren we zacht strijklicht naar boven”, verduidelijkt Hulst. “Om te voorkomen dat je het effect krijgt van een zaklamp die je onder je gezicht houdt, combineren we het strijklicht met frontaallicht. Op die manier maken we een sluier van licht.” Hulst probeert eenheid te creëren in de stad, door in één straat of op één plein alle gevels op dezelfde manier uit te lichten als het gaat om lichtintensiteit en kleurtemperatuur. Door de positie van schijnwerpers aan te passen kun je toch bepaalde details benadrukken zoals balkons en balustrades.

Oranje

“Het bestaande licht is meestal amberkleurig en het licht wordt van grote afstand geprojecteerd op het gebouw. Dit zorgt ervoor dat de kenmerkende eigenschappen van een gebouw of kunstwerk niet opvallen, in feite had het overal kunnen zijn. Alles wordt een beetje oranje.” Eén van de oplossingen is om de schijnwerpers dichterbij te zetten. Dat betekent wel dat je meer schijnwerpers nodig hebt, omdat je per stuk minder oppervlakte kunt aanlichten, maar aan de andere kant bespaar je energie omdat de schijnwerper minder krachtig hoeft te zijn.

 

Na een analyse van het bestaande licht bepaalt Hulst weke lichtniveau in de nieuwe situatie nodig is. Meestal kiest ze ervoor om gebouwen van schuin onder aan te lichten met warm wit licht. “Bij een kerk kan ik er vervolgens voor kiezen om de klok extra uit te lichten door op de omloop spots neer te zetten. Dit gebeurt altijd op een subtiele manier, zodat de klok in dit geval niet gaat ‘zweven’, maar onderdeel blijft van het geheel. We zijn altijd op zoek naar de balans.”

 

Het maken van een lichtplan begint achter de computer, met een rekenprogramma als Dialux. Hiermee kan Hulst het gebouw in kwestie al in vormen neerzetten en in grote lijnen bepalen welke schijnwerpers en lichtbundels nodig zijn om het gewenste lichtniveau te bereiken. Vervolgens wordt op locatie een proefopstelling gemaakt en wordt, in samenwerking met belanghebbenden, een keuze gemaakt uit de beschikbare middelen. Hierbij spelen verschillende dingen mee, zoals het budget, maar ook het beheer en onderhoud. “Het belangrijkste is dat de basis goed is.”



Dit artikel komt uit Straatbeeld

Deel dit artikel